Interviewstress

Nick Cave

Op het moment dat ik deze blog schrijf, ben ik zowaar een beetje zenuwachtig. Niet voor het schrijven van een blog, maar aanstaande dinsdag interview ik als het goed is een van m’n grote helden: Damien Rice. En dat is ook het leuke aan (muziek)journalistiek: je kunt dan misschien wel 200 artiesten hebben geïnterviewd in de loop der jaren, echt wennen doet het nooit en er blijven speciale gevallen tussen zitten waarvoor je net wat meer gespannen bent dan voor andere.

Dat had ik voor het eerst ergens in 2006. Revolver Magazine, de voorloper van Lust For Life, bestond nog maar net en ik was werkzaam als web- en bureauredacteur. Een van mijn eerste klussen: het interviewen van Noel Gallagher, gitarist en belangrijkste songschrijver van Britpopgroep Oasis en een muzikant voor wie ik altijd veel respect heb gehad. Op voorhand hartstikke leuk dus dat ik hem zou gaan spreken, ware het niet dat hij a) de naam had een moeilijk persoontje te zijn en b) ik hem moest interviewen voor de rubriek Eindschot. Voor de mensen die LFL niet lezen (stelletje barbaren): dat is een kort interview waarbij de artiest nogal maffe of triviale dingen gevraagd wordt. En daar reageert niet iedereen even goed op.

Bier
Met lood in de schoenen stapte ik dus Studio 22 te Hilversum binnen, maar al heel gauw bleek de oudste Gallagher een sympathieke gast te zijn, heel wat slimmer dan z’n broertje en bovendien behept met enige humor. Hij kon wel lachen om vragen van het niveau “Zou je je haar verven als je merkte dat je grijs werd” en, wellicht mede dankzij flink wat blikken bier, werd het een vermakelijk gesprek. Een flinke meevaller dus.

Sjofel
Dat was niet te zeggen van mijn ontmoeting met Mark Oliver Everett, oftewel E van de Amerikaanse band Eels, ook al zo’n kerel die ik heel hoog heb zitten. Het interview zou plaatsvinden in een poepchic hotel in hartje Londen, maar daar aangekomen wist men bij de receptie van niets en was de promo-pipo van de platenmaatschappij onbereikbaar. Lichtjes ten einde raad verliet ik mijn hotel, waar plots mijn oog viel op een wat sjofele kerel met een immense baard en dito zonnebril op een bankje – een vreemde verschijning bij dit dure hotel. Ik keek nog eens goed en verdraaid: het bleek vriend E zelve te zijn! Blij verrast stapte ik op hem af, wat hij duidelijk nogal eng vond, maar na kort beraad leek het hem een goed idee om dan maar naar binnen te gaan en het interview te doen. En dat viel niet mee. Hij antwoordde kortaf of cynisch, zat meer met z’n telefoon te spelen dan op te letten en hij had er duidelijk geen zin in.

Brits bier
Dertig minuten (die meer leken op dertig uur) later was de strijd voorbij en wilde ik, na een handdruk, de kamer licht chagrijnig verlaten, totdat hij me vroeg in de bar van het hotel een biertje mee te komen drinken. En toen bleek wat er aan de hand was geweest: dit was de laatste dag van zeven lange promotiedagen op rij en hij zat er blijkbaar volledig doorheen. Maar onder het genot van typisch Brits (lees: lauw en schuimloos) bier kwam hij zowaar los en hebben we nog een erg leuk gesprek gehad – waar ik uiteindelijk meer aan heb gehad dan aan die loze dertig minuten vragen ontwijken van eerder die dag.

Huiswerk
Last but not least: een paar jaar geleden mocht ik op audiëntie bij een van mijn aller, allergrootste muzikale helden: Nick Cave. En dat had van tevoren ook nogal wat haken en ogen: deze Australiër staat erom bekend dat hij in het begin van een interview probeert uit te vogelen of de journalist in kwestie zijn huiswerk wel goed heeft gedaan (lees: zich fatsoenlijk heeft voorbereid). Zo niet, dan wordt het een verdomd kort interview. Nu ken ik Cave’s muziek van binnen en buiten, dus dat zou wel goed komen. Desondanks was ik best nerveus toen ik de hotelkamer betrad en de look van heer Cave maakte dat niet minder: hij bleek een lange, broodmagere kerel met een priemende blik, die enorm contrasteerde met zijn werkelijk belachelijke bloemetjesoverhemd. Na wat aftastende vragen van zijn kant, waarmee hij duidelijk testte of ik zijn oeuvre wel goed kende, was het ijs zowaar al snel gebroken en volgde er een verrassend goed gesprek waarbij ik zelfs even vergat dat ik met iemand in een ruimte zat tegen wie ik enorm opkeek. En dat soort momenten maakt het vak van muziekjournalist zo leuk. Nu maar hopen dat mijn interview met Damien Rice net zo goed verloopt. Tot het zo ver is, blijf ik lekker stressen.

0 Reacties

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*