Bospop 2011 in Weert

Bospop - Logo 2011

Voor het eerst in haar 31-jarig bestaan had Bospop het aantal festivaldagen van twee naar drie uitgebreid. Het leidde tot een grotere en bredere programmering die tal van oude legendes naar Weert bracht: Ron Wood (64), Ringo Starr (71), Gregg Allman (63), Roger Hodgson (61), Glenn Hughes (59), Edgar Winter (64) en Joe Cocker (67). Maar heeft deze verbreding ook de zeggingskracht van Bospop als vooraanstaand festival verstevigd? In het veld pakte de op papier zo sterke lineup niet altijd goed uit.

In die drie dagen zocht Bospop wat krampachtig naar een goede balans tussen jonge talenten en oude rotten. Tussen pop, rock, blues, AOR en symfo. “Voor iedereen wat wils”, leek het motto. Maar of deze grillige mix voldoende commerciële houvast voor de komende jaren biedt? De 25.000 bezoekers – toch voornamelijk 40-plussers – kregen soms merkwaardige keuzes voorgeschoteld.Waarom plaatst een zichzelf serieus nemend festival als Bospop twee coverbands (het povere Coldplace en The Ultimate Eagles) prominent op de middag? Dat terwijl aanstormende talenten (The 101’s, The Dirty Denims, Stefan Schil) mogen openen voor een nog lege weide. En wat doet de meisjespop van KT Tunstall op een classic rock festival?

Los daarvan kun je je afvragen of het saaie, behoorlijk karakterloze festivalterrein voor voldoende afleiding, entertainment en afwisseling zorgt om het publiek ook de komende jaren weer terug te laten komen. Meer dan zitten en naar muziek luisteren was er niet te doen. Dat verklaart wellicht waarom een aantal legendarische acts maar lauwtjes worden ontvangen door het soms wat passieve publiek. Een verpletterende indruk laat de Bospop-ervaring niet achter, ondanks een -op papier- aardige programmering waar het venijn duidelijk in de staart zat.

Vrijdag
Tijdens de dampende shows van The Answer en Rival Sons liggen de vergelijkingen met Deep Purple en – vooral – Led Zeppelin voor het oprapen. Beide bands hangen nadrukkelijk aan het verleden, maar compenseren dit met twee ongekend energieke en gepassioneerde optredens. Het grootste verschil is dat de Amerikanen van Rival Sons met Jay Buchanan over een behoorlijk afstandelijke zanger beschikken, die zijn uiterlijke gelijkenis met Jim Morrison graag lijkt te cultiveren. De Noord-Ieren zoeken de wisselwerking met publiek wél op,.via de intense beleving van Cormac Neeson. The Answer blijkt zodoende de grootste verrassing van dag één.

In de AOR van Foreigner en Journey zullen de fans weinig verrassingen meer ontdekken. Ook al speelt Journey opvallend veel nieuw werk van het recente album Eclipse. Onder leiding van Arnel Pineda, een geweldige zanger en onvermoeibare showman, blijft de karakteristieke warme rocksound even herkenbaar als onveranderd. Foreigner daarentegen, kiest voor de gemakkelijke weg. Letterlijk ieder nummer uit het één uur durende optreden was ooit een hit. Een feest der herkenning dus, met veel meezingende fans, maar echt boeiend is de plichtmatige show al lang niet meer.

Tussen beide bands door neemt The Faces met vader Ron en zoon Jesse Wood de groene Weertse weide terug naar de vroege jaren zeventig. Op papier een act om naar uit te kijken, in de praktijk een rommelig en slordig optreden. Vooral drummer Kenney Jones lijkt het tempo soms niet meer aan te kunnen en oud Simply Red-voorman Mick Hucknall is door gebrek aan volume nauwelijks in staat de band te dragen. De uitstraling, persoonlijkheid en het spel van Ronnie Wood is feitelijk het enige wat The Faces overeind houdt. Daar kan ook de McCartney-cover Maybe I’m Amazed niets aan veranderen.

Veertien jaar na het succes van White On Blonde en zes jaar na de laatste albumrelease is de aanwezigheid van het Schotse Texas toch vrij onverwacht. Hoewel hits als Summer Son, Black Eyed Boy, Say What You Want netjes voorbijkomen, en er met The Conversation zowaar een gloednieuw nummer wordt gespeeld, slaat de vonk moeilijk over. Sharleen Spiteri oogt afstandelijk en soms zelfs wat arrogant wanneer ze na vrijwel iedere songs klaagt dat het publiek te weinig geluid maakt. Van enige zelfkennis lijkt geen sprake, want Texas oogt moe, mat en ongeïnspireerd.

Van gebrek aan inspiratie is bij Joe Cocker geen sprake. Ook 42 jaar na Woodstock bijft de veteraan uit Sheffield een fenomeen. Natuurlijk, de adem wordt korter, steeds meer woorden worden ingeslikt en een onderhoudende entertainer is hij niet. Zijn persoonlijkheid maakt echter veel goed. Geholpen door een superprofessionele showband slingert Cocker op karakteristieke wijze zijn vertrouwde rijtje covers de Limburgse nacht in, waarbij we menig stoere rocker bij Up Where We Belong toch even een traantje zien wegpinken.

Zaterdag
Bij Ringo Starr and his All Starr Band is succes verzekerd, maar niet zozeer vanwege vlammende rock. Elke ‘all starr’ krijgt zijn moment van glorie, waarbij vooral het spetterende gitaarwerk van Rick Derringer en Edgar Winter’s instrumentale  Frankenstein van grote klasse blijken. Ringo Starr zelf, blijft een vermakelijk artiest die het niet van zijn muzikale kwaliteiten, maar des te meer van zijn capaciteiten als onderhoudende gastheer moet hebben. Lang blijft het wat gezapig, maar de zijwegen die de all stars inslaan, wordt de feestvreugde pas echt opgevoerd met solo- en Beatles-werk als It Don’t Come Easy, Photograph, Yellow Submarine en I Wanna Be Your Man. En wanneer na With A Little Help From My Friends nog een paar minuten Give Peace A Chance als een mantra over het festivalterrein schalt, kan dag twee al bijna niet meer stuk.

Gregg Allmann heeft hier echter geen boodschap aan. Zijn bluesrock kent een bewogen levensverhaal en komt uit een grillige carrière met The Allman Brothers, maar van een doorleefd optreden is helaas geen sprake. Allman zit expressieloos achter zijn klavier, zijn band is statisch en anoniem, het optreden wordt plichtmatig afgewerkt. Spelen kan de man zeker, maar blues kan ook iets té laid-back gespeeld worden.

Het dieptepunt van de zaterdag is echter Roxette. Classic is de act zeker, met het eerste nieuwe album in tien jaar. Op hernieuwd enthousiasme is de band echter niet te betrappen. Plichtmatig en ongeïnspireerd leunen de Zweden op vooral oude hits, waarbij It Must Have Been Love een zouteloos akoestische bewerking krijgt. De in de studio zo prikkelende rock deint lusteloos over het ongeïnteresseerde publiek. Vooral tekenend is de totale ongemeendheid in zijn intonatie als gitarist Per Gessle ons daarna bedankt voor een geweldige avond en hoopt ons snel terug te zien. We geloven er helemaal niets van.

Hoe anders is de set van Roger Hodgson daarna. Het publiek in de Bospop-tent ontvangt de ex-zanger van Supertramp als een verloren held. Voor het eerst komt het publiek van de grond en zien we de uitzinnige menigte die je op een festival verwacht. Woord voor woord zingen ze de talloze klassiekers mee, van Dreamer, Breakfast In America, The Logical Song of Give A Little Bit. Roger Hodgson zorgt met band voor een heerlijk feest der herkenning. De zanger is zichtbaar ontroerd door de impact van dit enthousiaste ontvangst en voegt er -gedragen door zijn publiek- nog een magistrale versie van Fool’s Overture aan toe.

Laat het afsluiten van een festivaldag daarna maar aan Anouk over. Muzikaal is het lang niet zo interessant als Hodgson ervoor, maar een entertainer is ze zeker. De felle opener Girl zet meteen de toon, en dat temperament gaat vervolgens niet meer liggen..Spannend is de poprock natuurlijk niet, maar ook bezoekers die hun neus ophalen voor de vele radiohitjes, kunnen niet om haar talent als performer heen.

Zondag
Hard- en bluesrockveteraan Jimmy Barnes is weliswaar niet erg verrassend maar geeft een bijzonder sterk optreden. Toch valt hier ook een zekere routineuze aanpak te besluiten. Of zou het komen door het nog steeds erg passieve publiek dat Barnes’ sluimerende temperament niet opwekt? Het is de man zelf niet aan te rekenen, maar zijn muzikale stijl is die eerdere dagen al vaker geserveerd op Bospop. Ondanks zijn meesterschap begint zich hierom toch een ‘meer van hetzelfde’-gevoel te bekruipen.

Wél een dikke impact komt vervolgens in de vorm van Triggerfinger. Door het intensieve touren biedt de show voor de ervaren festivalganger geen verrassingen meer, maar wat weten de Belgen weer te overdonderen. Eens te meer wordt duidelijk dat het de jongere acts zijn die iets te bewijzen hebben, en het vuur moeiteloos uit hun gitaar rammen. Het charisma van zanger/gitarist Ruben Block doet de rest: Weer een hoogtepuntje erbij! Tot zover dan, want Bospop bewaart al het lekkere voor het laatst.

Dat ook oude veteranenact soms nog weten hoe het moet, bewijst Thin Lizzy vervolgens. Enig scepticisme of de band nog wel waardig zou zijn zonder de overleden frontman Phil Lynott en gitarist Gary Moore, is snel verdwenen. De Ieren ontpoppen zich als een overdonderende rockmachine die met klassiekers als Whiskey in the Jar en The Boys Are Back in Town het publiek hard in de kraag vatten. Dat wil wat zeggen, want het Bospop-publiek blijft desondanks een lastige. De meezingstiltes die Thin Lizzy creëert, blijven exact dat: stiltes.

Stefan Schill en Philip Sayce moeten vervolgens jaloers naar het optreden vanWalter Trout hebben gekeken. Natuurlijk is het onterecht om deze veteraan te vergelijken met de eerdere jonge garde. Het wijst echter wel op een probleem in de Bospop-programmering. Bezoekers hebben de keuze tussen best aardige bluesrock, goede bluesrock en hemelse bluesrock. Trout bedingt zich met zijn hemelse solo’s aan liefhebbers van die laatste categorie, wat de voorgaande optredens in de tent in één klap minder relevant maakt.

Het houdt maar niet op, want ook Black Country Communion stoot de Bospop-programmering naar grotere hoogtes. Zie hier weer een act die niks meer te bewijzen heeft, met legendes als Derek Sherinian en Joe Bonamassa in de gelederen en Jason Bonham op drums, maar dit niettemin vergeet zodra ze het podium opklimt. Klassiek is de supergroep niet te noemen, met een geboortejaar dat in 2010 valt, wat wellicht de reden is dat ze vastberaden en met ongekend talent een wervelende rockshow neerzetten. Black Country Communion combineert als geen ander de nostalgie van beproefde classic rock aan het temperament van een jonge en ambitieuze formatie.

De progressieve metal van Riverside vormt vervolgens een welkome afwisseling in het programma. Duidelijk is hoe serieus de Poolse formatie zijn muziek neemt. Geconcentreerd zet de door de progressieve scene allang omarmde band een foutloze show neer. Met drums van Pink Floyd, gitaarwerk van A Perfect Circle en heldere zang van ehm… zanger Marius Duda, klinkt de band misschien veel te klinisch voor liefhebbers van de rauwere rocksoorten. Er zijn echter genoeg liefhebbers in de Bospoptent die het applaus geven dat Riverside verdient.

Het progressief rockende Riverside vormt bovendien een mooie brug naar de afsluiter: het nog veel progressiever rockende Dream Theater. Wat deze band vervolgens op je afvuurt, slaat werkelijk alles. Met ongekende virtuositeit vertonen deze bandleden trucs op het podium van bovenmenselijke aard. Ondanks de wat veilige zang van James Labrie wordt de band als geheel ook nog eens groter dan de som der delen. Met overdonderende breaks, gestructureerde chaos en een prachtige balans tussen hard en zacht, trekt Dream Theater je in een trip die het fenomeen muziek overstijgt. De meer dan geslaagde vuurdoop van de nieuwe drummer Mike Mangini biedt niet alleen oude klassiekers als Caught In A Web en Forsaken, maar ook veelbelovende voorproefjes van het aankomende album.

De alles overheersende afsluiter geeft echter ook reden voor gemengde gevoelens. Achteraf zou men bijna de indruk krijgen dat Bospop een drie dagen lang wachten is op die ene fenomenale afsluiter, met af en toe aardige muzikale omlijsting om het wachten te verzachten. Want hoewel veel acts hun naam meer dan waar maakten, zijn de écht overdonderende impacts op één hand te tellen. Vier van hen stonden dan ook nog eens op de zondagavond, wat de overige acts tot één lang voorprogramma dreigt te reduceren.

De muzikale afwisseling komt bovendien in de verkeerde vormen, waardoor de acts die wél de moeite zijn, tezamen toch nog een behoorlijk éénzijdig aanbod vormen. Anders dan het jongere publiek van bijvoorbeeld Lowlands of Paaspop, stuit de oudere Bospopper op weinig nieuwe ontdekkingen. Rustig zitten zij in het gras, terwijl vermaak en teleurstelling hand in hand voorbijtrekken. Het programma dat er op papier zo prima uitziet, wil op de weide vrijwel nergens écht tot een uitbundig feest leiden. Toch scoort Bospop zeker geen onvoldoende. Het was een aardig festival, maar de veelvuldig aanwezige kansen om méér dan dat te zijn, hebben helaas geen doel geraakt.

 

1 Reactie

  1. Aletta 3 juli 2017 Reageer

    HAllo,

    Ik zou heel graag willen winnen maar de prijsvraag is van de week geplaatst maar als ik doorklik staat er Bospop 2011?Toch waag ik een kansje,haha,

    groetjes,aletta

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*