Het is een veelvoorkomend fenomeen in de popmuziek: de zogeheten supergroups. Prominente leden van bekende bands die besluiten een nieuw avontuur aan te gaan met andere muzikanten die al naam maakten bij succesvolle groepen. Denk aan Crosby, Stills & Nash, waarvan de drie heren hits scoorden bij respectievelijk The Byrds, Buffalo Springfield en The Hollies voordat ze nóg populairder werden dankzij hun samenwerking. En zij waren zeker niet de enigen. Sommige van die allstar-collectieven bleken waanzinnig succesvol, andere konden de (logisch) torenhoge verwachtingen niet waarmaken en gingen roemloos ten onder. Hoe dan ook leverde het fenomeen onder andere deze vijftien prachtplaten op!
Cream – Disraeli Gears (1967)
De eerste de beste? Gezien de gigantische invloed die Cream had en de status die het trio nog altijd geniet, is daar zeker iets voor te zeggen. Maar het geldt zeker niet voor de output van ’s werelds eerste supergroup, want debuut Fresh Cream (1966) werd ruimschoots overtroffen door opvolger Disraeli Gears. Hier hoor je Ginger Baker, Jack Bruce en Eric Clapton op hun veelzijdigst, eigenzinnigst en simpelweg allerbest. Alleen al dankzij de klassiekers Sunshine Of Your Love, Strange Brew en Tales Of Brave Ulysses is dit een van de ultieme sixtiesplaten. [DvdG]
Blind Faith – Blind Faith (1969)
Eric Clapton wilde niet langer God zijn, Steve Winwood was niet buitengewoon getraumatiseerd door de (tijdelijke) split van Traffic en bassist Ric Grech had zojuist zijn Family de rug toegekeerd. Ginger Baker eiste uiteraard driekwart van een plaatkant voor een drumsolo op. Claptons Presence Of The Lord zou nog lang op de setlists van zijn latere tournees prijken, Winwoods Can’t Find My Way Home behoort tot zijn betoverendste ballads en de cover van Buddy Holly’s Well All Right stond in 1978 weer model voor Santana’s herinterpretatie. Gestoken in een hoes die nu als hoogst controversieel te boek staat. [CvO]
Crosby, Stills, Nash & Young – Déjà Vu (1970)
CSN is misschien wel de bekendste supergroup uit het rijtje. Vooral toen Young zich bij de groep voegde – of nou ja, hij voegde zijn vocalen toe aan twee liedjes (Helpless en Country Girl) en verzorgde wat gitaar- en harmonicaspel op de rest. Hoe dan ook: een gouden zet, want met die formatie ontstond een van de meest succesvolle platen ooit – en dat is niet eens een overdrijving. Het gebrek aan een bandnaam is typerend, want Déjà Vu is in essentie een samenvoeging van vier soloprojecten. Desondanks is Déjà Vu classic rock op z’n puurst. [JE]
Emerson, Lake & Palmer – Emerson, Lake & Palmer (1970)
De organist van The Nice, de zanger/bassist van King Crimson, de drummer van The Crazy World Of Arthur Brown en Atomic Rooster – het is geen wonder dat zelfs de beste albums van ELP vaak een collectie van solo-pirouettes waren. Het titelloze debuut bevat dus een uitgebreide drumexercitie van Palmer (Tank), een showcase voor Emerson (The Three Fates) en een fraai excuus voor Lake om de zoetgevooisde minstreel te wezen (Lucky Man). Maar in Take A Pebble smelten alle individuele vaardigheden op glorieuze wijze samen. En Bartók zou nooit meer hetzelfde klinken (The Barbarian). [CvO]
Bad Company – Bad Company (1974)
Frontman Paul Rodgers versleet later nog meer supergroups (The Firm, The Law, misschien telt zijn Queen-avontuur ook mee), maar geen daarvan had zo’n artistieke en commerciële impact als Bad Company. Zijn machtige stemgeluid liet zich op dit puike debuut net zo soepel combineren met de pakkende gitaarriffs van Mick Ralphs (ex-Mott The Hoople) als met die van Paul Kossoff eerder in Free. [DvdG]
U.K. – U.K. (1978)
Zeker, er zijn luisteraars die opvolger Danger Money (1979) prefereren. Maar als je het hebt over supergroups, komt de line-up op U.K.’s debuut toch meer in aanmerking. Men neme twee progveteranen (John Wetton, Bill Bruford) die eerder al samen in een van de sterkste King Crimson-bezettingen plaatsnamen. Voeg daar gitaarwonder Allan Holdsworth (o.a. Soft Machine) aan toe, plus violist/ toetsenist Eddie Jobson (ex-Roxy Music) voor wat Zappaeske uitspattingen. Wat je dan krijgt, is een volstrekt uniek, razend spannend prog-geluid. En dan werd het volgens sommigen dus zelfs alleen nog maar beter op de volgende (en laatste) studioplaat! [DvdG]
Asia – Asia (1982)
In de jaren tachtig hadden de hoogwaardigheidsbekleders van de progressieve rock de grootste moeite om het hoofd boven water te houden. Platenmaatschappijen drongen aan op MTV-vriendelijk materiaal en geen ellenlange suites. Op een van de eerste multi-millionsellers van het Geffen-label stelden gitarist Steve Howe, drummer Carl Palmer, toetsenman Geoff Downes en zanger/bassist John Wetton hun virtuositeit dus in dienst van relatief compacte rockpop, ook al kon je natuurlijk toch horen dat op hun cv’s dienstverbanden stonden in Yes, ELP, U.K. en King Crimson. Heat Of The Moment groeide uit tot een vaste waarde op classic-rock- radio. [CvO]
The Highwaymen – Highwayman (1985)
Vier parttime non-conformisten uit de country (Johnny Cash, Willie Nelson, Waylon Jennings, Kris Kristofferson) bundelden de krachten voor deze eerste van drie studioalbums, waarvoor ze in de songbooks doken van onder anderen Jimmy Webb, Guy Clark, Bob Seger en The Man In Black zelve. Alles klopt hier. Producer Chips Moman weet zijn gebruikelijke neiging tot gladstrijken te onderdrukken en de repertoirekeuze is foutloos. Je kunt horen dat een authentieke verwantschap de heren heeft samengebracht, niet de marketing-executive met dollartekens in de ogen. Al zal die laatstgenoemde toch ook blij geweest zijn met de platinastatus. [CvO]
Trio (Emmylou Harris, Dolly Parton & Linda Ronstadt) – Trio (1987)
De drie stemmen klinken los van elkaar al als een zonsondergang op een tropisch eiland, maar gooi alle harmonieën samen en je hoort een waar natuurwonder. Om nog wat langer in vakantiesferen te blijven: Partons, Harris’ en Ronstadts liefde voor het zuiden van Amerika liet zijn sporen na op de gehele plaat die in 1987 éindelijk het licht zag. Evenals de liefde voor elkaar. De bewondering voor elkaars solocarrière maakte plaats voor een jarenlange hechte vriendschap. Trio is daar het krachtige bewijs van. [JE]
Traveling Wilburys – Traveling Wilburys Vol. 1 (1988)
Puur vanwege de deelnemende Wilburys was deze band misschien wel de superste supergroup van allemaal: George Harrison, Bob Dylan, Roy Orbison, Tom Petty, ELO’s Jeff Lynne... Dit vijftal lijkt zo’n ultieme allstar-bezetting die alleen in de fantasie van muziekliefhebbers kan ontstaan. Maar Harrison maakte deze Mount Rushmore (+1) van poplegendes toch echt werkelijkheid – al gingen de leden schuil achter pseudoniemen. Hoeveel lol zij samen hadden, bleek ook wel uit de titel van de tweede plaat: Vol. 3. Zonder de inmiddels overleden Orbison was veel van de magie toen echter wel vervlogen. [DvdG]
Blue Murder – Blue Murder (1989)
Op deze cultfavoriet onder eighties-hardrockfanaten beleeft John Sykes misschien wel zijn ‘finest hour’. De altijd wat onderbelicht gebleven gitarist – tevens bekend van Tygers Of Pan Tang en Thin Lizzy – was in 1986 door David Coverdale uit Whitesnake gesmeten, maar raapte een nieuwe band bij elkaar die excelleerde in al even heavy/melodieus werk. En warempel, mede dankzij een waanzinnige ritmesectie bestaande uit Carmine Appice (Vanilla Fudge) en Tony Franklin (The Firm) stak Blue Murder zelfs Whitesnake naar de kroon! In meerdere opzichten trouwens, want zelfs cockrock-koning David Coverdale zou de vingers niet durven branden aan een songtitel als Sex Child... [DvdG]
Damn Yankees – Damn Yankees (1990)
Wie had ooit gedacht dat het massieve ego van Ted Nugent na al zijn solosuccessen nog bereid zou zijn om een alliantie met gelijkwaardige titaantjes aan te gaan? Styx-gitarist Tommy Shaw en Night Ranger-bassist Jack Blades weten de macho bravoure in het gitaarspel van The Nuge aan te wenden ter meerdere eer en glorie van het soort supermelodieuze hardrock dat spoedig door de grunge-golf weggespoeld zou worden. Producer Ron Nevison levert zijn fraaiste widescreen kaders sinds zijn werkzaamheden voor The Babys. Hoogtepunt: High Enough, de powerballad die nagenoeg alle andere overbodig maakt. [CvO]
Mad Season – Above (1995)
Sommigen zullen Temple Of The Dog als de ultieme grunge-supergroup zien, maar die titel past veel beter bij Mad Season – al is het alleen maar omdat deze leden daadwerkelijk al wereldwijd succes kenden toen dit enige album verscheen. Layne Staley van Alice In Chains, Mark Lanegan en Barrett Martin van Screaming Trees, Pearl Jam-gitarist Mike McCready en de latere Walkabouts-bassist John Baker Saunders verlieten het gebaande grunge-pad niet al te ver, maar de kwaliteit van de songs (met het bloedmooie River Of Deceit op nummer 1) lag verrassend hoog voor zo’n relatief kortstondig project. [MC]
Audioslave – Audioslave (2002)
Soms klinken samenwerkingen verrassend, maar bij Audioslave was dat zeker niet het geval. Plak de zanger van Soundgarden vast aan de drie instrumentalisten van Rage Against The Machine en het resultaat op dit titelloze debuut is precies wat je verwacht: een mix van alternatieve metal en classic (hard)rock met dat typische RATM-funkmetalrandje, gezongen door misschien wel de allerbeste rockzanger van de jaren negentig. Top- songs als Cochise (die riff!), powerballad I Am The Highway en Show Me How To Live – waarin Chris Cornell de longen bijna letterlijk uit z’n lijf schreeuwt – doen de rest. [MC]
A Perfect Circle – Thirteenth Step (2003)
Ontstaan als het ‘hobbybandje’ van gitaartechnicus Billy Howerdel, maar ten tijde van dit tweede album bestond A Perfect Circle uit een ware allstar-line-up, met onder meer (wederom) Tool-zanger Maynard James Keenan, Troy Van Leeuwen (Queens Of The Stone Age) en Marilyn Manson-bassist Twiggy Ramirez – en Smashing Pumpkins-gitarist James Iha kwam erbij voor de tour. En wat ook fijn was: de – overigens uitstekende – ‘Tool-light’ van het debuut bleek op Thirteenth Step verruild voor een veel breder en avontuurlijker geluid dat bij vlagen zelfs tegen de artrock aanschurkte. Een knappe plaat, die het gelegenheidsgezelschap helaas nimmer meer zou evenaren. [MC]
Them Crooked Vultures – Them Crooked Vultures (2009)
Het was zeker niet de eerste keer dat Josh Homme (Kyuss, Queens Of The Stone Age) en Dave Grohl (Nirvana, Foo Fighters) de handen ineen sloegen, maar Them Crooked Vultures was wel degelijk de eerste band die ze samen vormden. En dan zou je nog bijna de bassist van het gierige gezelschap vergeten: een zekere John Paul Jones, die niet onverdienstelijk snaren plukte in Led Zeppelin. Heel eerlijk: het geheel overtreft niet de som der delen en nergens bereiken de heren de pieken die ze in hun andere bands moeiteloos leken te halen, maar een verdomd lekkere hardrock- annex stonerrockplaat is het zeker. En ook live was Them Crooked Vultures een belevenis. [MC]
Black Country Communion – Black Country Communion (2010)
Misschien niet de meest vernieuwende supergroup in deze lijst, maar Black Country Communion maakte wel drie platen vol ouderwets sterke bluesy hardrock voordat de band in 2013 uit elkaar knalde. Glenn Hughes, Joe Bonamassa, Jason Bonham en Dream Theaters Derek Sherinian toonden zich een voorbeeldig team. In muzikaal opzicht dan, want na de breuk vervielen leden in het gênante publieke moddergooien dat kennelijk óók onvermijdelijk is bij menig supergroup. Gelukkig sloten ze elkaar weer in de armen en voegden ze BCCIV (2017) toe aan de behoorlijk consistente discografie. [DvdG]
Big Red Machine – How Long Do You Think It's Gonna Last? (2021)
Ze inspireerden elkaar al langer en vulden elkaar aan op de zwakke plekken – van de luisteraars. Justin Vernon (Bon Iver) met zijn magische melancholische ganzenveer was al jarenlang een graag geziene gast in de studio van indierockers The National, en andersom. Zeven jaar geleden startten de tweelingbroers Dessner (The National) samen met Vernon een artiestencollectief genaamd PEOPLE en die creatieve basis kon twee jaar later met een titelloos debuut de big red machines van mensen wereldwijd beroeren. De tweede zet van deze Dessner & Vernon-supergroup, met bijdragen van Lisa Hannigan, Robin Pecknold (van Fleet Foxes), Ben Howard en Taylor Swift, is echter een ‘spare’ van fenomenale klasse. [JE]
The Smile – A Light For Attracting Attention (2022)
Er zijn mensen die zich afvragen of The Smile niet gewoon een synoniem is voor Radiohead. In de basis klinkt The Smile – met zanger Thom Yorke en de andere meest prominente ‘radiohead’ Jonny Greenwood op bas, gitaar en keyboard als kern – bijna als een kopie van hun hoofdproject. Maar om het een synoniem te noemen, gaat voorbij aan de ongedwongen energie die een nieuwe band zonder een ingewikkelde reputatie bij de heren opwekt. En het is onaardig richting drummer Tom Skinner – van de band Sons Of Kemet. The Smile brengt geen nieuwe Creep of High And Dry, maar trekt wel lumineus de aandacht. [JE]
boygenius – The Record (2023)
Waar je bij Them Crooked Vultures kunt concluderen dat 1+1+1 niet per se 5 oplevert, is dat bij boygenius wel degelijk het geval. Solo hadden indiefolkies Phoebe Bridgers, Julien Baker en Lucy Dacus al behoorlijk hun sporen verdiend, maar met z’n drieën stijgen ‘The Boys’ (zoals ze liefkozend door hun fanschare genoemd worden) pas echt tot grote hoogten. Prachtige melodieën, geweldige samenzang, even afwisselend als beresterk: debuutplaat The Record pakte alle hoge verwachtingen bij de strot en schopte ze nog een stuk verder omhoog. [MC]
Dit artikel is afkomstig uit Lust For Life 137 , als onderdeel van een special over het fenomeen supergroups.
Tekst: Martin Cuppens, Jolien Eijsink, Dominique van der Geld en Chris van Oostrom


