Jimmy Webb: De eenzaamheid op doorreis

Jimmy Webb

Het songbook van Jimmy Webb laat zich gebruiken als een reisgids voor een trip door Amerika. By The Time I Get To Phoenix, Wichita Lineman, Galveston, MacArthur Park – het zijn gedenkwaardige haltes op een traject dat naar het hart van de melancholie voert. ‘Ik kan net zo goed een stuur op mijn piano monteren.’

Het interview met Jimmy Webb was in Revolver’s Lust For Life #004 al te lezen. We hebben deze voor het blad erg moeten inkorten, maar om jullie te volledige versie niet te onthouden is die hieronder alsnog te lezen.

Het moet een mooi moment zijn geweest. Jimmy Webb, een van de meest gelauwerde componisten uit de Amerikaanse pophistorie, ontmoette na jaren weer eens Ahmet Ertegün, medeoprichter van Atlantic. Voor dat label had Webb in 1977 het album El Mirage opgenomen en gelijk alle voorgangers had het de fraaiste kritieken en de poverste verkoopcijfers opgeleverd. Want Webb mocht dan toen al meer dan twintig jaar zijn songs aan de grootste sterren hebben verkocht, de platen die hij onder eigen naam uitbracht werden steevast ook door de straatstenen geretourneerd. En dus vroeg Webb aan de legendarische platenbaas waarom hij hem destijds toch weer een album had laten maken als de geschiedenis reeds zo pijnlijk had uitgewezen dat de kans op commercieel succes opnieuw gering zou zijn. Waarop Ertegün de songschrijver vaderlijk opnam en zei: ‘Omdat je soul hebt. Dat is alles wat ik daarop kan zeggen. Je hebt soul, Jimmy.’ De aangesprokene kon geen woord meer uitbrengen.

Van de man die o.a. Aretha Franklin, Wilson Pickett en The Drifters in de vaart der volkeren omhoog stootte, was dan ook nauwelijks een mooier compliment denkbaar. Het wint nog aan kracht wanneer we bedenken dat die ‘soul’ overwegend werd aangewend ten bate van inventieve en intelligente popballads. Glen Campbell en Art Garfunkel zijn door de jaren heen de trouwste afnemers gebleken, maar aan een oeuvre dat inmiddels bijna een halve eeuw bestrijkt, hebben vogels van zeer diverse pluimage zich tegoed gedaan: van Joe Cocker tot Donna Summer, van Andy Williams tot R.E.M.

Opvoeding
Opvallend genoeg genoot de op 15 augustus 1946 in Elk City, Oklahoma geboren en toch echt erg blanke Jimmy wel degelijk een opvoeding zoals die van veel zwarte soulzangers uit de jaren zestig: zijn vader was een strenge baptistenpredikant, die thuis alleen het luisteren naar stichtelijke liederen en een beetje country tolereerde. Het was evenwel niet Jimmy’s toerbeurt als jonkie in het gospelkoor van pa die hem een carrière in de muziek deed overwegen. Daarvoor was een ongebruikelijker katalysator nodig: de tranen van zijn muziekprofessor. “Hij had Duits bloed in de aderen, dus voor hem stond J.S. Bach gelijk aan de Heilige Schrift,” vertelt Webb vanuit Los Angeles aan de vooravond van een Engelse tournee. “Soms werd hij nog wel eens uit zijn evenwicht gebracht door de jeugdige banaliteiten die aan de orde van de dag waren in een klas vol door sex geobsedeerde tieners, aan wie hij toch iets van gewicht probeerde over te brengen. Op een dag moest hij huilen tijdens een uitvoering van Jesu Joy Of Man’s Desiring. De tranen stroomden over zijn wangen, een uitdrukking van bijna extatische gekweldheid op zijn gezicht, terwijl hij ondertussen onverstoorbaar de maat bleef slaan. Dat brak me in tweeën. Het leerde me dat we ons in dit leven niet behoefden te beperken tot het genot dat door drugs, alcohol of sex verkregen wordt, maar dat we die zachtere plekken in ons binnenste ook konden ontsluiten door onze ‘vrouwelijke  kant te tonen’. Ja, tussen aanhalingstekens graag, want ik haat die formulering eigenlijk.”

Glen Campbell
Het allereerste plaatje dat Webb als tiener kocht, was er toevallig eentje van de man waarvan we rustig kunnen stellen dat die later de definitieve versies van Wichita Lineman en Galveston heeft opgenomen: Glen Campbell. Webb: “We zijn twee handen op één buik. Ik durf zonder enig voorbehoud te beweren dat Glen de beste autodidakt is die ik ooit in de muziek ben tegengekomen. Er is niemand die zelfs maar in de buurt komt. Frank Sinatra, bij wie Glen overigens nog gitaar gespeeld heeft, is misschien de beste Amerikaanse zanger aller tijden in een bepaald genre, maar Campbell kan werkelijk álles aan. Hij moet in staat worden geacht zelfs nog muziek uit een gedeukt conservenblikje te krijgen. Ik heb hem immers ook een keer Bonaparte’s Retreat door zijn neus ten gehore horen brengen!

“Glen zal dit stellig ontkennen, maar we ontmoetten elkaar voor het eerst in Armin Steiner’s Sound Recorders, waar we een commercial voor General Motors zouden opnemen. [Simuleert geschokte kreet] Ja, een commercial! Schandelijk, hè? We hadden allebei al enige successen gescoord, maar waren elkaar nog nooit tegen het lijf gelopen. Ik herkende hem onmiddellijk bij het betreden van de studio, want hij had toen al een wekelijkse tv-show. Ik loop naar hem toe en je moet weten dat ik destijds nog in mijn Leon Russell/John Lennon-periode zat, dus ik had haar tot over mijn schouders. Hij werpt één blik op me en zegt: ‘Wanneer ga jij eens naar de kapper?’ Vanaf die dag waren we onafscheidelijk. We zijn altijd in staat geweest om harmonieus samen te werken in het volle besef dat we qua politieke oriëntatie juist elkaars absolute tegenpolen waren. Maar dat heeft nooit een wig tussen ons gedreven, omdat de muziek ons teveel in beslag nam en muziek is nu eenmaal de grote gelijkmaker die alle kunstmatige barrìeres tussen mensen slecht.”

Langharige bleekscheet
Maar voor het zover was en niet alleen Campbell maar ook bijvoorbeeld The 5th Dimension zich gretig op zijn songs stortte, was Webb begin jaren zestig eerst nog een tijdje in dienst van Jobete, de muziekuitgeverij van Motown. Hoe keken ze daar tegen zo’n langharige bleekscheet aan? Webb: “Een beetje vreemd! Ik herinner me nog dat ik er binnen kwam. Ik zag er weinig elegant uit en had niet meer dan een armoedige papieren zak bij me, waarin wat tapes en partituren zaten. De receptioniste, een aantrekkelijke en bepaald royaal bedeelde zwarte vrouw die Vickie heette, was net met haar lunch bezig. En toen ze mij in het vizier kreeg, moest ze zo hard lachen dat ze bijna in haar banaan stikte. Ze zei: ‘Jij arm scharminkel! Wat doet zo’n mager ventje als jíj hier?’ Ik was in die tijd met de moed der wanhoop bezig om een voet tussen de deur te krijgen in de muziekbusiness, maar terwijl ik daar zo met haar stond te praten, had ik toch niet echt het idee dat deze receptioniste mijn entree in het wereldje zou kunnen bespoedigen. Dat bleek verkeerd gedacht, want opeens wees ze naar die papieren zak en vroeg wat daar in zat. Ik vertelde dus dat ik wat samples van mijn werk had meegenomen. ‘Wat is je beste liedje?’ wilde ze toen weten. Ik dacht even na en besloot dat dat toen This Time Last Summer was. Vervolgens loopt ze naar een enorme deur, gaat naar binnen en kort daarop schalt mijn liedje door het kantoor. Een paar minuten later gaat die deur weer open en steekt Frank Wilson [stafproducer- en songschrijver] zijn hoofd naar buiten:  ‘Wilt u even binnenkomen alstublieft.’ Een lieve man, maar hij praatte zo ontzettend zacht dat ik hem tot tweemaal toe moest zeggen dat ik hem niet verstond. ‘WILT U EVEN BINNENKOMEN ALSTUBLIEFT!’ En zo werd letterlijk de deur van de muziekwereld voor mij geopend. Allemaal dankzij Vickie.”

Eerste compositie
Het voor een kerstalbum van The Supremes opgenomen My Christmas Tree was in 1965 de allereerste Webb-compositie die op plaat werd gezet, maar de allerbeste song die hij in deze periode in de aanbieding had, kon de goedkeuring van zijn werkgever niet wegdragen. By The Time I Get To Phoenix is dan ook een van de meest wrange liefdesliedjes ooit geschreven. Het is het soort song dat je verwacht van een verweerde veteraan voor wie berusting in het falen van de liefde tweede natuur is geworden. “Dat had ik al geschreven toen ik achttien of negentien was, dus kun je nagaan. Een van de eerste liedjes waarmee ik bij Motown kwam aanzetten, maar ze zagen er niks in. Nu je het zegt, ik weet ook niet waarom ik altijd zo’n sombere knul was die van het leven vooral de schaduwzijde zag. Misschien omdat ik mijn moeder vrij vroeg verloren heb. Bovendien was ik op de middelbare school en later op de universiteit bepaald geen Sean Connery in mijn omgang met meisjes. Ik kreeg keer op keer het deksel op de neus.  Phoenix gaat over Susan Ronstadt, de nicht van Linda. Susan was een schat, laat daar geen twijfel over bestaan, maar ik wás het gewoon niet voor haar en ik had al lang vergeefs in haar wateren gehengeld. Op het eindexamenfeest had men Disneyland afgehuurd en ik was haar date. Ik met het mooiste meisje van de klas! Maar de chemie ontbrak. We hebben menigmaal geprobeerd er iets van te maken, maar het lukte niet. Tegen de tijd dat ik Phoenix schreef was ik daardoor enorm gefrustreerd geraakt en het is eigenlijk een op muziek gezette woedeaanval: ‘Ik ga lekker terug naar Oklahoma, bekijk het maar.’ Wat overigens helemaal niet gebeurd is, hoor. Ik wil niemand zijn illusies ontnemen, maar het is maar een liedje. Een goede song vertelt nu eenmaal een verhaaltje en moet een openingsstrofe hebben die je meteen nieuwsgierig maakt naar het verloop en het einde ervan. Op het gevaar af als verwaand over te komen, vind ik dat Phoenix een absolute ‘killer’ van een begin heeft: ‘By the time I get to Phoenix/She’ll be rising.’ Je denkt meteen: waar? Ligt ze soms op de achterbank van die auto? Nee, want de volgende regel is: ‘She’ll find the note I left hangin’ on her door.’ En dan wil je weer weten wat er op dat briefje te lezen valt. Nou, de laatste regels van het laatste couplet luiden: ‘Though time and time I’d tried to tell her so/She just didn’t know I would really go.’ En dan heb je dus wel een idee van de inhoud van dat krabbeltje.”

Personages
De personages in de songs van Webb zijn inderdaad nooit waar ze willen wezen – mentaal of fysiek. Ze vluchten weg van de plek waar ze zich gevangen voelen of door externe omstandigheden niet langer kunnen blijven, maar vaker nog herinnert hun huidige standplaats hen juist aan alles wat op dat moment volledig buiten handbereik is. De liefde kan niet ademen, het meisje vindt het afscheidsbriefje op de deur, de kilometerteller tikt de afstand die zowel de wegloper van zijn versmade vriendin als de gefrustreerde minnaar van zijn lief scheidt. En daar in Wichita snakt de lijnwerker naar regen, want dan is het te gevaarlijk om in de telegraafpalen te klimmen en mag hij van zijn baas naar huis. Ondertussen geeft ieder richtingsbord langs de weg aan hoe godvergeten alleen hij is. Jimmy Webb is de chroniqueur van de eenzaamheid op doorreis.

Hij barst in lachen uit wanneer ik hem een specialist in ambulante melancholie noem. “Ja, ik mag wel zeggen dat ambulante melancholie mijn specialiteit is! Reizen en liefde gaan ook op de een of andere manier hand in hand. Je bent onderweg naar iemand toe of je wilt juist als de sodemieter weg bij die persoon. Anders zit je gewoon thuis en ben je blijkbaar gelukkig! Droevige liedjes lijken verbonden met de snelweg. Er speelde ook wel degelijk een element van kansberekening mee bij het schrijven van die songs met al die plaatsnamen, gewoon omdat die nu eenmaal goed in de markt liggen: MacArthur Park, Galveston, Phoenix, Wichita Lineman, waarvan ik trouwens alleen de laatste ook echt met de plaats in kwestie in mijn achterhoofd geschreven heb. Als ik ooit een medley van al die nummers zou maken, kan ik tijdens het uitvoeren ervan net zo goed een stuur op mijn piano monteren.”

MacArthur Park
Over het ontstaan van het even surrealistische als barokke MacArthur Park ging lange tijd het verhaal dat het geschreven zou zijn als inzet van een in dronkenschap aanvaarde weddenschap, maar de werkelijkheid is prozaïscher. Lang voordat acteur Richard Harris het in ’68 besloot op te nemen, had Webb het reeds gereed liggen voor de groep The Association, maar die wilde het niet hebben. “Ik heb altijd mijn gevoel voor humor behouden waar het dit lied betrof en daarom gaf ik er ook mijn toestemming voor om het in films als Airplane 2 te laten gebruiken. Of toen Will Ferrell het zong in een rode maillot terwijl hij zogenaamd avances maakte jegens de homosexuelen in de zaal. Ik geef toe dat ik aanvankelijk teleurgesteld was door de negatieve respons op het lied, maar ik ben nu in de zestig en kan vaststellen dat het toch een prestatie van formaat was. Vooral van Richard, een Ierse acteur uit Limerick die geen geschoold zanger was en in zee durfde te gaan met het broekie uit L.A. dat ik toen was. Laat niemand in mijn bijzijn een foute opmerking over Richard maken, want die persoon zal dan niet ver genoeg van mijn wapperende handjes verwijderd kunnen zijn.  Richards versie is nog steeds mijn favoriete uitvoering. We hebben daar toch iets van klassieke allure neergezet. Het was destijds het langste nummer dat tot dan toe op de radio te horen was geweest: zeven minuten en twintig seconden. Totdat The Beatles met hun Hey Jude van 7:21 over de brug kwamen.”

Ik leg hem voor dat het nummer wellicht ook als onbedoeld grappig wordt ervaren omdat het moeilijk voorstelbaar is dat Harris, een über-macho die zelfs vakbroeder en notoir innemer Richard Burton onder de tafel kon zuipen, zich zo druk staat te maken om het recept van een verregend taartje (‘I’ll never have that recipe again/ OH NO!’). Webb: “Zo heb ik het nog nooit bekeken! Er zit trouwens heus nog wel meer scheef aan dat nummer, maar ik acht het niet míjn taak om daar op te wijzen, haha!”

Soloalbums
Het feit dat al die nummers uitsluitend in vertolkingen van derden de hitparades haalden, dreigde onderwijl het zicht te ontnemen op Webbs verrichtingen als uitvoerend artiest. Wanneer we het uit bewerkte demo’s gevulde Jim Webb Sings Jim Webb (’68) en het met zijn broers opgenomen Cottonwood Farm (’09) niet meerekenen, zijn er inmiddels elf volwaardige soloalbums bij evenzoveel platenmaatschappijen verschenen. Zonder uitzondering waren ze gedoemd tot de status van instant cult-items: geliefd bij de critici, genegeerd door het grote publiek. Een monument onder monumenten is Land’s End (’74), waarvan de bloemrijke productie geen moment de even peilloze als naakte zielepijn van de zanger-componist kan maskeren. Het zo lieflijk getitelde Ocean In His Eyes opent met misschien wel de dodelijkste afmaker die men ooit in een liefdeslied aantrof: ‘I don’t think you’re human, but I’ll miss you anyway.’ Webb: “Dat ging over een Engels meisje waar ik erg gek op was en ze had me afgewezen. Het was een van de meest desolate periodes in mijn leven. Interessant dat je juist dat sombere aspect van mijn werk hebt aangehaald, want ik probeerde op dat album toch alle middelen in de strijd te werpen om er een aantrekkelijk geheel van te maken en David Geffen van Asylum spendeerde er destijds ook een fortuin aan, maar uiteindelijk kwam er iets uit waar je niet vrolijk van wordt als je ernaar luistert. Al ben ik het met je eens dat het een van mijn beste albums is. Het verhaal heeft trouwens een nog droever einde, want dat Engelse meisje in kwestie heeft later zelfmoord gepleegd.”

Emotionele tol
Dat al die prachtalbums steeds weer opnieuw een stille dood stierven, moet Webb op een gegeven moment ook danig dwars hebben gezeten, want hij begon aan zijn eigen platen te refereren als ‘dure demo’s.’ Ten tijde van het door George Martin geproduceerde El Mirage liet hij zich zelfs ontvallen er misschien wel helemaal mee op te zullen houden als ook dit album weer geruisloos ten onder zou gaan. “Met die gedachte heb ik inderdaad rondgelopen, ja. Ik weet nog dat ik met George een potje biljart speelde in zijn buitenhuis en hij zei toen tegen me op een toon van oprechte bezorgdheid: ‘Waarom kap je er niet gewoon mee? Het zijn paarlen voor de zwijnen.’ We waren inmiddels goed bevriend geraakt en hij kon zien welke emotionele tol ik betaalde als gevolg van mijn steeds weer gefnuikte ambitie om ook zelf een popster te willen zijn. Hij zei: ‘Een popster zijn is niet zo fantastisch als het lijkt, Jimmy.’ Waarna hij de keu tegen de bal stootte en een slok sherry nam. En hij had natuurlijk gelijk. Het sterrendom is opgeblazen tot belachelijke proporties. Daarom worden er ook zo veel televisietoestellen uit het raam geflikkerd. Zodra rocksterren verslaafd raken aan een lifestyle die bedingt dat je twee huizen, de duurste auto en allerlei high-tech hebbedingetjes moet bezitten, is het lastig om daar nog van af te kicken. Ik maak muziek omdat het nu eenmaal mijn ding is. Dát is waar ik van hou, niet de business. Want die is verworden tot een macaber, Fellini-achtig circus. Ik hou van de fans die naar mijn optredens komen, de kameraadschap, de warme gloed van de kaars der creativiteit die in eenieder brandt die zich met muziekmaken bezig houdt. We hebben het hier over wat goedbeschouwd een klein gevoel is, niet die overweldigende ambitie om een grotere ster te zijn dan iemand anders. Het gevoel diep in mijn binnenste dat ik toch het juiste pad heb gekozen. Maar hoe ouder je wordt, hoe moeilijker dit bestaan valt te dragen. Iedere vliegreis is een beproeving, iedere keer wanneer je je oude lijf in zo’n veel te krappe stoel moet persen, doet pijn. Maar je gaat ermee door, omdat het bijna een drug is. Gelukkig dan maar dat ik er nooit aan verslaafd raakte, omdat ik als performer nimmer dat grote succes heb gekend.”

0 Reacties

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.